
Ze is mijn schatje.
Hij is gewoon een jongen.
Zij is mijn alles.
Hij is iets.
Zij is mijn leven.
Hij een onderdeel.
Zij is wat ik wil.
Hij doet wat hij wil.
Hij heeft mijn verpakking eraf getrokken. Hij heeft mij bekeken, van mij gegeten.
Nu is er een stuk uit mij. Een stuk dat voor haar was.
Hij heeft gebruik gemaakt van mijn zwakte, en ik heb hem niet tegengehouden.
Nu ben ik niet meer volledig. Voor haar.
Zal ze merken dat er iets ontbreekt?
Ik ben bang.
Dus verzwijg ik liever.
dat ik niet meer
heel
ben.
Ge-bro-ken